Dragen boerka is bewuste stellingname tegen de samenleving

(eerder verschenen op VK Opinie, 2 februari 2012)

Door het dragen van een boerka kunnen vrouwen niet normaal deelnemen aan de samenleving. Dat past niet bij modern particperend burgerschap. Daarom moet de boerka verboden worden.

Het kabinet-Rutte heeft een boerkaverbod aangekondigd. Hiermee is een discussie losgebarsten of een dergelijke ingrijpende maatregel in de Nederlandse samenleving wel op zijn plaats is. De critici van het verbod beschouwen het boerkaverbod vooral als een aantasting van de (godsdienst)vrijheid van vrouwen en als een symbolisch staaltje islam-bashing. Anderen zetten vraagtekens bij het argument van de regering dat de openbare orde gebaat is bij een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding.

Maar je kan nog een laag dieper gaan. Dan kom je op het terrein van de filosofie en gaat het over opvattingen over de rol van de mens in de maatschappij. Want wat is de maatschappij eigenlijk? Kort gezegd is de maatschappij wat mensen in een land met elkaar hebben opgebouwd. De maatschappij is het samenleven van mensen, ofwel de samenleving.

Mensen zijn immers geen eenlingen. Mensen hebben elkaar nodig en gaan met elkaar om. Tegelijkertijd streven ze naar vrijheid: bijvoorbeeld om dat te doen wat zij denken dat goed is voor henzelf en hun naasten. In het westerse democratische model wordt grotendeels vrijgelaten hoe mensen daarin een evenwicht bereiken. De overheid probeert via wetgeving asociaal gedrag te begrenzen om zo een basisniveau van ‘omgaan met elkaar’ te bewerkstelligen.

De wet stelt bijvoorbeeld regels om gewelddadigheid tussen mensen in woord en daad tegen te gaan, de integriteit van het menselijk lichaam te waarborgen, het persoonlijk bezit te beschermen en overlast voor de medemens te beperken. Dit alles met het oogmerk om de omgang van mensen met elkaar enigszins soepel te laten verlopen. In de wet worden gedragsnormen vastgelegd die de olie moeten zijn in het sociale raderwerk van de samenleving.

Tegen de samenleving
De overheid bemoeit zich dus met het sociale gedrag van mensen en heeft daar volgens mij ook alle recht toe. Sinds jaar en dag streven achtereenvolgende kabinetten – van welke signatuur dan ook – naar een samenleving waarin burgers actief participeren. Ik meen dat het dragen van een boerka de gewenste actieve participatie in de weg staat. Het dragen van een boerka is immers een bewuste stellingname tegen de samenleving.

De individuele vrouw die een boerka draagt sluit zich af van de buitenwereld door zich onherkenbaar te maken voor de ander. Een boerka bedekt het gehele lichaam. Een boerka verstopt de mens. De unieke individualiteit wordt ontkend. De boodschap die bovendien met het dragen van een boerka wordt afgegeven is: ‘Ik wil niet meedoen aan het maatschappelijk verkeer tussen mensen. Ik wil niet op gelijkwaardig niveau communiceren met de medemens. Men mag mij niet zien. Ik sta buiten jullie samenleving. Het is jullie samenleving, niet de mijne.’

Het is voor de draagster van een boerka vrijwel onmogelijk om aan het arbeidsproces deel te nemen. Het normale sociale verkeer wordt er ernstig door bemoeilijkt. Gewoon boodschappen doen is er niet bij in een boerka. Met het dragen van een boerka bereik je geen succesvolle deelname aan de Nederlandse samenleving. En geen maatschappelijke participatie betekent feitelijk achterstelling van de vrouwen in kwestie.

Beetje boerka
De vraag is vervolgens: is een verbod noodzakelijk? Enerzijds vind ik het ongewenst om de boerka in het straatbeeld als voldongen feit te accepteren. Dat betekent het capituleren voor een mens- en vrouwbeeld dat haaks staat op dat van de moderne, actief participerende burger. Anderzijds gaat een radicaal verbod misschien toch te ver omdat de overheid zich te zeer mengt in de persoonlijke levenssfeer.

Het is jammer dat er zo weinig zit tussen verbieden en toestaan. Een tussenvorm, een boerkaverbod gecombineerd met een vergunningen- en ontheffingsstelsel, is natuurlijk niet te handhaven. Het blijft dus een keuze tussen uitersten. En omdat de participerende, communicerende en zich niet verstoppende burger mij zo lief is, kies ik voor het verbod. Een (beetje) boerka werkt namelijk niet.

Advertenties

7 comments

    • Ik ben nooit zo voor gedogen, omdat problemen daarmee niet worden opgelost. In je stuk ga je uit van de gevolgen voor de boerkadraagsters en dat ze een soort aangiftemogelijkheid zouden moeten krijgen. Ik geloof daar eerlijk gezegd niet zo in. De meeste boerkadraagsters doen dat volgens mij vrijwillig en niet gedwongen. Dit gezien allerlei interviews die ik de laatste dagen in de media heb gezien, gehoord en gelezen.
      Het gaat mij meer om de gevolgen van de boerka/nikaab voor het maatschappelijk verkeer. Mensen moeten zichtbaar zijn voor elkaar in de openbare ruimte en zich niet voor elkaar verstoppen. Dat is een minimumvoorwaarde om de samenleving een beetje fatsoenlijk te laten functioneren. Het algemene belang van herkenbaarheid en benaderbaarheid vind ik zwaarder wegen dan het individuele belang van de boerkadraagster. Dat rechtvaardigt voor mij uiteindelijk ook een totaalverbod in de openbare ruimte.

  1. Normaliter gebruikt men de begrippen samenleving en maatschappij door elkaar heen alsof ze inwisselbaar zijn. Mijn favoriete filosoof Jan Vis maakt een verhelderend onderscheid, wat een prima medicijn is tegen verwarring.
    Overigens steun ik je gedachtegang van harte @Benavra.

    De samenleving is gelijk een lichaam (Dus toch holisme..?)
    Door Jan Vis, filosoof
    Zo tegen het eind van de 20ste eeuw is er een kentering gekomen in het denken over de maatschappij en de samenleving. Deze verandering is door de meeste denkers niet of nauwelijks opgemerkt, voornamelijk doordat hen het verschil ontgaat tussen de begrippen ‘maatschappij’ en ‘samenleving’. Hoewel beide begrippen logischerwijs met elkaar een eenheid vormen is het van groot belang de betekenis van elk van die twee afzonderlijk te kennen.
    In het kort komt het hier op neer: het begrip ‘maatschappij’ heeft betrekking op het geheel van relaties tussen de verschillende individuen. Het zijn de talloze verbindingen die de mensen tussen elkaar aanleggen. Zij zijn genoodzaakt dat te doen omdat zij in de grond van de zaak ieder voor zich een volstrekt autonoom verschijnsel zijn. Elk mens bestaat uitsluitend binnen zijn of haar eigen ommuring en als zodanig sluit elk mens de ander volstrekt uit.
    Ieder mens is een absoluut geïsoleerd verschijnsel. Tussen die verschijnselen gaapt een niet te dempen kloof. Het enige dat de mensen hieraan kunnen doen is het slaan van bruggen. Voorzover dat gelukt vormen de mensen dat omvangrijke vlechtwerk van verbindingen dat in de filosofie ‘de werkelijkheid als maatschappij’ heet.
    In essentie is voor dat vlechtwerk het enige criterium het elkaar nodig hebben, uiteraard om te kunnen overleven. In dit verband doet het er niet toe of men elkaar aardig vindt, familie is, geliefden of vrienden. Het gaat alleen maar om die concrete verbindingen, dat vlechtwerk van ‘relaties’.
    Het begrip ‘samenleving’ slaat op een geheel ander aspect van de menselijke werkelijkheid. We hebben nu niet te doen met een vlechtwerk, maar met een structuur als van een levend weefsel. Daarvan is de essentie dat alle elementen niet door een kloof van elkaar gescheiden zijn maar geleidelijk in elkaar overgaan en op die manier een ondeelbaar, in zichzelf oneindig genuanceerd, geheel vormen. Het is onmogelijk om vast te stellen waar het een ophoudt en het ander begint. Dit ‘ineenzijn’ geldt in biologische zin voor alles wat leeft, dus voor alle organismen. Maar voor de mens geldt naast dit biologische gegeven ook nog iets intellectueels: hij weet zich één met de andere mensen. Omdat dit het geval is geldt het begrip ‘samenleving’. Je kunt zeggen dat de mensheid als het ware een organisme is, een levend lichaam.
    Wij vinden het vanzelfsprekend dat ons lichaam van alles nodig heeft om te kunnen blijven leven. Het moet gevoed worden, maar dat levert behalve dat leven niets op. Economisch gezien is dat voeden een volstrekt waardeloze investering, want in feite kost het leven alleen maar geld. En dat zijn zelfs letterlijk ‘kosten op het sterfhuis’.
    Precies zo is het gesteld met de samenleving. Er moet belangeloos in geïnvesteerd worden om haar optimaal gezond te laten zijn. Iets anders dan gezondheid leveren die investeringen niet op. Winsten en andere opbrengsten zijn er niet van te verwachten. Maar het is natuurlijk wel zo dat een gezonde samenleving onmisbaar is voor het vlechtwerk van de maatschappij.
    Wat is er nu sinds enige tijd veranderd?
    Vroeger werd er, ondanks de betrekkelijke maatschappelijke armoede, veel geld en energie in openbare voorzieningen voor de samenleving gestoken: er werden verbindingen aangelegd in de vorm van spoor-, lucht- en waterwegen. Er kwam een steeds meer verfijnd netwerk van communicatiemiddelen. Men regelde een goede gezondheidszorg, hoogwaardig onderwijs en nog veel meer noodzakelijke voorzieningen.
    Uit dit alles blijkt dat er een intuïtief besef was omtrent het bestaan van een samenleving. Dat betekent ook dat men begreep dat er aan de samenleving niet verdiend kan worden, maar dat zij daarentegen geld kost, precies zoals ons lichaam gevoed moet worden. Maar dat inzicht is tegenwoordig geheel en al verdwenen. Het begrip ‘openbaar’, dat op de samenleving slaat, heeft geen betekenis meer. Nu moet er aan openbare voorzieningen verdiend worden. Zo niet, dan worden zij zonder pardon opgeheven. Via bedrieglijke redeneringen over privatisering probeert men te rechtvaardigen dat enkelen aan de openbare zaak hun zakken vullen.
    De oorzaak van deze verloedering is de onvolwassenheid van het huidige wetenschappelijke denken. Daardoor gelooft men dat het gehele leven op wetenschappelijke wijze benaderd moet worden, zodat het management ermee uit de voeten kan. Bijgevolg wordt de studenten op de universiteiten geleerd dat alles zijn prijs behoort te hebben en dat die uiteraard met rente terugverdiend moet worden. Daarmee is de samenleving tot een commercieel bedrijf verworden. De maatschappij heeft de samenleving verdrongen door haar te verzakelijken.

  2. Het onderscheid tussen samenleving en ,maatschappij raakt bij mij weinig snaren. Ik vind het een beetje een taalspel. Ook de metafoor van de samenleving als organisme zegt me niet veel. Het probleem is nl dat verschillende leden van de samenleving heel anders denken over het organisme (het geheel) dat ze samen vormen.

  3. Interessante bijdrage omdat wordt doorgedrongen tot een belangrijke politiek en sociaal filosofische grondlaag: de verhouding tussen individu en samenleving/maatschappij. (Ik hou de twee even als synoniem).
    De grondvraag blijft : in hoeverre mag een burger zijn/haar persoonlijkheid of identiteit beleven op een niet-maatschappelijk conforme manier. Ik zou het dus niet meteen als ‘asociaal’ willen bestempelen. Wie bepaalt er immers wat ‘sociaal’ en wat ‘niet-sociaal’, en blijkbaar meteen ‘asociaal’ (en dus pejoratief) is? Onze westerse samenleving wordt nu eenmaal gekenmerkt door zeer grote diversiteit. De Belgische iets meer – zeker voor wat de woningbouw betreft – dan de Nederlandse, maar voor de kleding dan weer omgekeerd (cfr. Genre familie Flodder) ? Waar ligt de (tolerantie)-grens dat er plots een bepaalde identiteitsbeleving, dat zich uit in onder meer woonomstandigheden of kleding, als ‘grens’ –overschrijdend wordt gekenmerkt? Wie bepaalt die normen? En mag men sociale of culturele (inclusief religieuze) normen direct verheffen tot legale normen of omgekeerd? En wat met historische evoluties? In de jaren ’60 verdwenen de mannen in lange zwarte rokken (priesters) en de vrouwen in grote kapgewaden (nonnen) en verscheen het ‘langharig werkschuw tuig’ op de straten…
    Of gaat het eerder om een sociaal-psychologische kwestie? Bij gebrek aan eigen identiteit, en assertiviteit in dit verband, heeft men het moeilijk met mensen die wèl op een assertieve manier hun identiteit tonen en beleven? Men weet amper nog wat ‘Nederlander’ of ‘Belg’ zijn is (tenzij bij nationale sportmomenten of koninginnedag) en wordt daarmee geconfronteerd door mensen die dat wel willen? Het sluit aan bij een trend waarbij westerlingen toch aansluiting zoeken bij de Islam omdat ze daar een zekerheid aan leer- en leefregels krijgen aangeboden die onze Westerse samenleving in de jaren ’60 in de verbrijzeling heeft gestuurd met de boodschap: zoek het zelf maar uit! En waarbij onzekere mensen zekerheid zoeken bij die ‘goeroes’ en ‘leren’ die onwrikbare zekerheid bieden, zonder zelf het nodige denkwerk te verrichten…
    Daarmee geef ik geen antwoord op de vraag of de boerka (of de niqab) al dan niet wettelijk moet verbieden, maar wil wel aandacht vragen voor een bredere problematiek die onze samenlevingen in Europa in de greep houdt, al dan niet versterkt door de economische (crisis-)situatie. Immers in dergelijke periode groeit intolerantie en verrechtsing meer dan in economisch gunstiger situaties.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s